Bever Foto: R. van Jeveren      
         
  Disciplines en methodiek        
 

De onderzoeken, inventarisaties en adviezen van Buro N.W.C. hebben betrekking op allerlei disciplines.

Zoogdieronderzoek

De groep zoogdieren kan onderverdeeld worden in de grondgebonden zoogdieren en de vleermuizen. Beide groepen zoogdieren worden door Bureau N.W.C. geïnventariseerd en gemonitoord. Hiervoor zijn verschillende methoden beschikbaar die allemaal toegepast kunnen worden, namelijk:

opsommingsteken

Vallenonderzoek;

opsommingsteken

sporenonderzoek;

opsommingsteken

braakbalonderzoek;

opsommingsteken

inventarisaties met behulp van sporenplaten;

opsommingsteken

bat-detectoronderzoek;

opsommingsteken

tellingen van individuen in winterverblijven (vleermuizen);

opsommingsteken

transect-tellingen.

Vallenonderzoek wordt, voor wat betreft muizen, uitgevoerd middels de IBN-methode. Sporenonderzoek gebeurt gebiedsdekkend en hierbij worden alle soorten sporen geïnventariseerd en gekarteerd. Braakbalonderzoek vindt meestal aanvullend of voorafgaand aan vallenonderzoek plaats. Hiervoor worden bij voorkeur de braakballen van de Bosuil en de Kerkuil gebruikt. Maar ook van alle andere soorten uilen worden braakballen verzameld en uitgeplozen. De schedels (van muizen) die in de braakballen worden aangetroffen, worden op naam gebracht. Sporenplaten worden vaak gebruikt om de effectiviteit van faunapassages te achterhalen. Daarnaast worden ze ook in het veld geplaatst om na te gaan welke, met name grotere, zoogdiersoorten er in het betreffende gebied voorkomen. 

Onderzoek met behulp van bat-detectors (ook wel vleermuisdetectors genoemd) wordt toegepast om de verspreiding van vleermuissoorten in een gebied te inventariseren, om het gebruik van het landschap en door vleermuizen gebruikte routes te achterhalen en verblijfplaatsen te vinden. Voor vleermuisonderzoek wordt afhankelijk van de te verzamelen gegevens vanaf minimaal één uur voor zonsondergang tot minimaal één uur na zonsondergang en minimaal één uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsopkomst in het veld ‘gepost’. 

Voor het vaststellen van belangrijke routes wordt op begroeide (kruis)punten gepost. Alle voorbijkomende vleermuissoorten en de vliegrichting, inclusief het tijdstip waarop ze gezien of gehoord worden, worden in kaart gebracht. Voor het achterhalen van verblijfplaatsen moet op veelbelovende plaatsen (bomen of gebouwen) in de avond en de vroege ochtend gepost worden. De individuele dieren die uitvliegen of invliegen (afhankelijk van het tijdstip) worden vervolgens geteld.

Libellen en dagvlinders    
       
  Broedvogels    
       
  Vissen    
       
  Herpetofauna    
       
  Flora    
       
  Macrofauna    
       
         
    Pootafdruk van een Das Foto: Ronald van Jeveren    
       
       
       
       
       
       
       
         
         
    Muizenonderzoek met inloopvallen Foto: R. van Jeveren    
       
       
       
       
       
       
       
       
         
    Vleermuisonderzoek m.b.v batdetector Foto: H. Gebuis